Jeanne Louise Elbracht-Moens | 19 december 1933 - 24 april 2016 Hoewel het vensterglas niet helemaal helder meer was kon je dunne draadjes stof op de zonnestralen zien dansen. ‘Kijk’, fluisterde hij ‘de fijne druppeltjes ochtendmist lossen steeds vroeger op’ en wees naar buiten. De oude dame richtte met moeite haar hoofd op, want ze zat altijd een beetje voorover gebogen in haar leren fauteuil, als was het om pijn te verlichten. Haar gebroken ogen zagen een koolmeesje vergeefs naar iets eetbaars zoeken in het vogelhuisje op haar balkon. Zo geleidelijk als de lente zich aandiende, zo traag en ongemerkt had zij de laatste tijd gewicht verloren. De vouw in haar broekspijp sloeg dwars over haar knie en kon niet verhullen dat er alleen nog maar een knokig gewricht onder resteerde. Eén moment vroeg hij zich af waar de rest van de oude dame eigenlijk gebleven was; misschien was zij wel langzaam aan het verdampen, dacht hij, en was zij wellicht op deze manier aan de Grote Oversteek begonnen. Het was een wat vreemde, maar toch geen onsympathieke gedachte. De stilte werd doorbroken door het geluid van een verre ambulance, want haar zware en moeizame ademhaling viel allang niet meer op. Inmiddels had zij haar hoofd weer gebogen, want langer dan enkele tellen opkijken hield zij niet meer uit. Haar blik bewoog naar haar hand die omsloten werd door een vreemde, maar toch vertrouwde warmte. Ondanks dat de hand van de oude dame huidrimpels had die gewillig in iedere richting plooiden en als boetseerklei elke vorm konden aannemen, pasten de twee handen zichtbaar en voelbaar bij elkaar.
Voor wederzijdse dankbaarheid en vergeving was het immers nooit te laat.

Daarop scheurde de Hollandse voorjaarslucht open — hoog en kil als de voorhang van het Heilige der Heiligen en maakte de frisse lentekou plaats voor een broeierige, tropische warmte die over de rand van het balkon kroop. De neusvleugels van de oude dame trilden. Waar zojuist nog het koolmeesje rond hipte, fladderden nu ineens talloze veelkleurige vlinders, die met hun enorme vleugels als feestelijk dansend crêpepapier zacht tegen het vensterglas tikten. De straatgeluiden werden overstemd door een roepende Tukang Saté, die in de lome hitte van de avond kwam aansjokken. Vanuit haar ooghoeken zag de oude dame tussen de spijlen van de balustrade door hoe de spitse kerktorens eerbiedig bogen en omkrulden tot reusachtig vochtige pisangbladeren, en een flauwe glimlach tekende zich af rond haar mondhoeken. Terwijl de geurige Indische aarde als opkruiend ijs tegen de balkondeur omhoog kroop, glansden haar ogen weer en lichtten voor een moment op. Het dunne grijs op haar schedel veranderde in pasgewassen kinderhaartjes, en het hart van de oude dame sprong op bij het horen van de Warung Keliling, héél in de verte. Blije kinderstemmetjes vulden de ruimte, die vrolijk zongen over Si Tokeh. Immers, zij kon niet eeuwig blijven wachten op wat nooit komen zou.
En toen,— toen was de wereld weer in orde.